r u s t i n k e e r g e d u l d v e r t r o u w e n

Liny Bosland

Welkom op mijn blog

Ik stel me voor dat deze site een plek is om even te vertoeven.

Pagina’s om bij te verwijlen.

Waar niets geleerd, gedaan, verkocht of aangeprezen wordt.

Een leeshoek met teksten en verhalen, woorden voor in de pauze.

En als je wilt reageren of in gesprek wilt komen:

weet dat je welkom bent.


[email protected]

DE PSYCHIATER EN A.

A. is een man van mijn leeftijd, wijs, geestig, bijzonder gevoelig en uiterst onhandig. Ik bezoek hem regelmatig. Dan praten we een poosje met elkaar. Hij door zo’n apparaatje in zijn hals dat ik alleen ken vanuit de verte bij mensen en dat ik nu ook van dichtbij zie. Een canule. De zuster maakt dat ding regelmatig schoon. Als het uit zijn keel is heeft hij geen stem meer. Die is dan onder de kraan in handen van de zuster.

Hij vertelt me dat de psychiater bij wie hij vroeger in behandeling was, bij hem op bezoek is geweest. Ik weet van zijn al dan niet gedwongen opnames in het verleden. Van zijn ervaringen in de isoleercel. Hij heeft altijd een speciale band gehad met zijn deskundige arts en daarom was hij ontroerd en blij geweest dat die afscheid van hem wilde komen nemen. Want het sterven is niet ver meer weg. De psychiater was hem niet vergeten. Hij kwam bij A. thuis. ‘Ik heb er voor geléérd,' had de psychiater gezegd, ‘maar jij bént een psychiater.’ Ze hadden tegenover elkaar gezeten. En gesproken over ervaring. En over kennis.


Ik moest denken aan wat Hans Korteweg op zijn blog schrijft. Het gaat over de beperkte houdbaarheid van voortschrijdend inzicht en beheersing door begrip.

‘Dingen uit je hoofd leren en begrijpen, kunnen beredeneren wat je gelooft en ook nog eens goed onder woorden kunnen brengen, het brengt je in de buurt van perfectie, van lof en roem, van een 8 of een 9, wie weet een 10. Maar alle werken, alle kennis, hoe verheven ook, zijn zinloos als zij niet zijn ingebed in stilte en liefde, in dankbaarheid en acceptatie, en vooral in niet-werken en niet-weten.’


Ik zie hen in gedachten voor me: twee mooie mensen, de psychiater en A. In gebed, ingebed in stilte en liefde.


Wil je reageren? [email protected]

DE OUDE DAG

We houden niet van oud worden. Ik constateer dat. Ik werk in een huis waar ouderen wonen: een verpleeghuis.

Ik merk dat oud zijn niet echt een investering waard is. In de politiek heeft men de mond vol van goede ouderenzorg; wat ik echter zie is weerzin tegen ouderdom, niet in het minst bij beleidsmakers. We hebben er een hekel aan en ik vermoed omdat we er bang voor zijn. Er moet goed gezorgd worden voor de vaders en moeders in een verpleeghuis, maar geen zoon of dochter wil er zelf ooit in. “Liever dood dan een verpleeghuis” schreef ik eerder.


Sociaal, fysiek en geestelijk verval willen we buiten de deur houden. Ouderen confronteren ons met het feit dat we sterfelijk zijn; dat we een kwetsbaar lichaam hebben, onze sociale status kunnen verliezen en onze geest zichzelf en anderen mogelijk niet meer herinnert.


Toen ik voor het eerst een verpleeghuis binnenstapte, het zal een jaar of tien geleden zijn, deinsde ik terug. Een huis van teloorgang, het stonk er, ik zag alles wat ik niet wilde zijn en niet wilde hebben. Ik kon me niet voorstellen dat ik zelf mogelijk ooit zó kon worden, zo totaal afhankelijk. Weerzinwekkend was het in mijn ogen. En toch werd ik óók aangetrokken door deze realiteit, door wat ik zag en wat ook essentie is: onze sterfelijkheid en vergankelijkheid. En heel langzaam werd ik bewogen naar mijn werk met ouderen. Maar dat wist ik nog niet.


De verpleeghuizen geven geen onderdak aan ‘vitale ouderen”. Die vitaliteit moet behoorlijk mank zijn gegaan voordat je goed genoeg bent voor een verpleeghuis. Toen ik nog met jonge kinderen werkte, lang geleden, wilde ik met mijn klasje op bezoek gaan in het bejaardenhuis om de hoek. Ik wist uit de literatuur en uit eigen ervaring hoe plezierig de onbevangenheid van jonge kinderen kan zijn. Die eigenaardigheid zouden ‘de buren in het bejaardenhuis’ ook vast waarderen, was mijn gedachte.

Het mocht niet van de hoofdleidster. ‘Die oude mensen zijn eng voor kinderen’, zei ze. Waarachtig, zo zei ze het.


Angst en weerzin. Vrees voor ouderdom, weerzin tegen ouderen; het is ontkenning van ons bestaan. In mijn jonge leventje op het platteland was sterven geen bijzonderheid. Ik was erbij aanwezig toen opa doodging. En toen mijn oma stierf. Ze woonden bij ons in en ik was een kind.

Het heeft niet mijn doodsangst weggenomen, niet mijn ongemakkelijkheid, maar wie weet werd er toen al een zaadje gelegd voor de latere belangstelling voor het bestaan van hen die oud zijn geworden.


Wil je reageren? [email protected]

IK WOON HIER NIET HOOR

Ik ben invaller bij het hospice, voor als er gaten in het rooster vallen.

Onlangs viel ik weer eens in. En ik deed niet wat ik eigenlijk moet doen en dat is voorafgaand aan de dienst de communicatiemap doorlezen. Daar staat in hoe het met de gasten op dat moment is zodat deze niet duizend keer hetzelfde hoeven uit te leggen aan het legioen vrijwilligers dat dagelijks langskomt. Ik permitteer me als invaller soms de vrijheid om zonder voorinformatie kennis te maken met aanwezige gasten, zoals wij de mensen noemen die in het hospice verblijven.


Een oude dame stelde het op prijs als ik een kopje thee bij haar kwam drinken.

Ze zat in haar kamer, in haar van huis meegebrachte fauteuil, voor het raam met uitzicht op de tuin. Er ging een weldadige energie van haar uit. We bevonden ons op het keuvelniveau van dagelijkse wederwaardigheden tot ze tegen me zei: ‘maar ik wóón hier niet hoor! Ik heb een prijsvraag gewonnen, de hoofdprijs is dat ik in dit appartement mag logeren. Vindt u het hier niet mooi?’

Ze gaf zowat licht. Ze straalde. Ik werd er gelukkig van.


‘Hoe zou het hier in de winter zijn?’ vroeg ze zich hardop af, ’zouden er dan ook zoveel toeristen op af komen, want nu is alles mooi groen in de tuin, maar als het kaal is, zouden er dan mensen in dit huis willen zijn?’


En dan die vijver. ‘U zult me niet geloven maar er gebeuren hier wonderen’ zei ze. ‘Ziet u dat vlekje groen drijven? ’ en ze wees naar een klein hoopje kroos dat door de waterpomp over het wateroppervlak werd bewogen. ‘Als ik het niet zelf had meegemaakt zou ik het niet geloven. Eerst was het vlekje dáár en nu is het hier, het is de héle vijver overgestoken. Iemand die dat zelf niet heeft zien gebeuren, gelóóft het gewoon niet. Dat dat kán.’


‘Het is hier prachtig’ zuchtte ze vergenoegd.


Het leek wel of ze me liet meekijken door háár ogen. Ze was een en al onbevangen vriendelijkheid. En daarvan deelde ze uit aan mij. Ik voelde me ook licht. En vrij, helemaal vrij.


Wil je reageren? [email protected]

JE ZAL ER WONEN

Om de zoveel weken heb ik dienst in het verpleeghuis. Dan rijd ik bewoners in hun bedden of stoelen naar een mis of kerkdienst toe. Een enkeling loopt aan de arm mee. Het restaurant van het huis wordt voor een paar uur omgetoverd tot kapel of kerk. Er branden echte kaarsen in plaats van arbo-verantwoorde neplampjes die je wel eens ziet. Een hele stoot aan vrijwilligers zwermt uit over het huis om alles in gereedheid te brengen. Het mooist vind ik als daar 30-ers of 40-ers bij zijn. Want meestal is dit soort klussen uitsluitend grijzekoppenwerk.


Je zal er wonen.

Hoe mooi het ook is dat er mensen zijn die voor je willen zorgen als je daar zelf niet meer toe in staat bent, hoe mooi het ook is dat er dan een huis is waar je naar toe kan, dat je daar van een kamer je huis kunt (laten) maken, het heeft beperkingen. Natuurlijk is dat zo.


Ik kwam mevrouw ophalen. Ik kwam haar in haar rolstoel tegen op de gang. Het was op de gesloten afdeling. Ze riep dat ze moest plassen. Ze was op zoek naar een zuster want plassen kon ze niet alleen.

De zuster kwam uit een kamer. ‘Ik weet het’ zei ze ‘maar nu niet. Ik heb nu geen tijd’.

‘Ik moet plassen’ herhaalde mevrouw.

‘Straks, zei de zuster' - ze had zo veel mensen die haar nodig hadden -, ' het is nu spitsuur, eerst moet ik anderen helpen’.

En tegen mij: ‘Als ik tijd heb, kom ik mevrouw straks wel nabrengen.’

Ze is niet gekomen.


‘Breng jij me straks thuis?’ vroeg een andere vrouw me. Ik zat naast haar in het verbouwde restaurant. En we zongen een lied.

‘Ja’ zei ik. Aan haar rolstoel hing het kamernummer.

Ze zong weer even mee.

‘Jij brengt me thuis hè’ onderbrak ze haar zingen.

‘Ja, ik breng je thuis.’

‘Breng jij mij thuis?’ vroeg ze weer.

‘Ik breng je thuis.’

En we zongen verder, woorden die we zelf misschien nooit bedacht zouden hebben.


Deze uren vermengen vreugde zich met droefheid.


Wil je reageren? l[email protected]

LIEVER DOOD DAN EEN VERPLEEGHUIS

Ik wil euthanasie als ik blijvend in een verpleeghuis moet wonen.

Dat las ik onlangs in de krant. Het waren de woorden van een vrouw in haar wilsverklaring.

Twintig jaar later, toen het zover was, werd in de Levenseindekliniek aan haar verzoek voldaan.

Liever dood dan een verpleeghuis.

Van de zomer begint mijn werk als geestelijk verzorger in zo’n huis. Ik heb er een werkervaringsplaats gekregen. Ik huiver en zie uit naar mijn werk in uitvoering.


Ik was als kind onbekend met verpleeghuizen. Mijn familie maakte daar geen gebruik van. Iemand opbergen, dat dóe je niet. Dat zeiden we in Ouddorp en in de kerk. Als het mijn beurt was om oma te wassen dan deed ik dat. Natuurlijk speelde ik liever, maar dat deed niet ter zake, op zaterdag was het gewoon mijn beurt. Ik was 13 en ik waste ’s morgens oma die bij ons inwoonde, ik kleedde haar aan en zette haar in haar stoel. Oma was mijn taakje.

En later in de ochtend controleerde mijn moeder of oma goed zat en keek ze of ik de eau de cologne zakdoek niet vergeten had in het befje van haar jurk te stoppen.


Of het voor oma altijd zo fijn is geweest als ik aan de beurt was; ik betwijfel het. Oma had veel kenmerken van ‘een ding’ voor mij. Ik heb ook wel eens een geitje gehad waar ik voor moest zorgen. Het beestje stond ergens bij familie afgelegen in een weitje met schuurtje. Het dier overleefde het niet. Het blauwe etensemmertje, brood met melk, dat ik dagelijks van thuis meekreeg, kieperde ik onderweg leeg in de berm en in plaats van naar mijn geitje in de wei ging ik vroeg naar school om te spelen. En dat voor een meisje.

Mijn vader gaf er niet zozeer blijk van begaan te zijn met het lot van het geitje. Ik herinner me vooral dat hij boos was op mijn onverantwoordelijkheid en ongehoorzaamheid.


Het is niet vanzelf goed als familie voor je zorgt. Of als vrienden dat doen of kennissen. Of de buurt of de straat. Mijn door reuma totaal van anderen afhankelijke vader is na de dood van mijn moeder tot zijn eigen overlijden verzorgd door familie en buurtgenoten. Hij was iedereen er diep dankbaar voor want hij hield van zijn huis en het maakte mogelijk dat hij thuis zou sterven. Wat zijn liefste wens was. En wat toch niet gebeurde omdat hij op de laatste nip naar het ziekenhuis werd gebracht en daar een dag of wat later –door verpleging wegens zijn kermen met bed en al in de badkamer apart gezet - overleed. Ik ken echter ook zieke mensen uit mijn kindertijd die door familie en kennissen in hun afhankelijke toestand als een lastige vlieg werden mishandeld in plaats van liefdevol verzorgd.


‘Liever dood’ hebben ze misschien gewanhoopt en gebeden.


Ik ben benieuwd naar de mensen in het verpleeghuis, naar wat hen het liefste is, hun thuis.

ie vraag ‘Hoe is het met je?’ is een mooie vraag. Natuurlijk, hoe ouder je wordt, hoe groter de kans op hartfalen, beroertes, traagheid, reuma, dementie en verlies van allerlei functies. Dat is allemaal pijnlijk, heel pijnlijk, maar het hoeft niet wezenlijk te zijn.

En misschien ook wel. Voor die man of die vrouw. En zal ik mensen bijstaan in hun verlangen te mogen sterven.


Wil je reageren? [email protected]